Laat mensen als Janna niet verdwalen in ons zorgsysteem
Janna (fictieve naam) is 24 jaar. Ze heeft ernstige angstklachten, gebruikt meerdere keren per dag GHB en drinkt te veel alcohol. Twee jaar eerder meldde zij zich bij de generalistische basis-ggz met sociale angst. Ze kreeg een richtlijnbehandeling van een universitair opgeleide masterpsycholoog, geschoold in cognitieve gedragstherapie. Voor veel mensen werkt zo’n behandeling. Voor Janna niet.
‘Ik voel nog altijd heel veel spanning als ik de deur uit moet’, zucht Janna als haar psycholoog vraagt hoe het de afgelopen week is gegaan.
Wat zij niet durfde te vertellen, was dat ze dagelijks afhankelijk was van GHB en alcohol. Achter haar angstklachten gingen trauma, somberheid, verslaving en vastgelopen relaties schuil. Dat is precies waar het misgaat in een zorgsysteem dat mensen te vaak opknipt in losse klachten, losse diagnoses en losse financieringsstromen.
Complexiteit laat zich niet vooraf netjes labelen
Op papier leek Janna’s hulpvraag overzichtelijk: sociale angst. In werkelijkheid droeg zij een levensgeschiedenis mee van pesten, onveiligheid thuis, schaamte, traumatische ervaringen en toenemend middelengebruik. Tijdens haar studie ontdekte ze dat alcohol haar sociale spanning tijdelijk dempte. Later kwam daar GHB bij. Ze miste colleges, verscheen niet meer op haar werk en raakte steeds verder vast.
Wie alleen naar de eerste klacht kijkt, ziet Janna niet. Dan lijkt een klachtgerichte behandeling logisch, terwijl onder de oppervlakte veel meer speelt. Mensen melden zich nu eenmaal niet aan met een volledig uitgewerkt diagnostisch dossier. Ze komen met angst, slapeloosheid, paniek, somberheid of middelengebruik. Pas met goede diagnostiek, klinische ervaring en professionele regie wordt zichtbaar wat daaronder ligt.
Geen slechte zorg, wel een slecht passend systeem
Janna kwam op een wachtlijst voor verslavingszorg. Toen haar situatie verslechterde, volgden crisiscontacten, ziekenhuiszorg, nieuwe verwijzingen en opnieuw wachtlijsten. Een vriendin ving haar tijdelijk op. Het lukte haar zelfs een tijd om nuchter te blijven. Maar zonder passende, geïntegreerde behandeling viel ze terug zodra ze weer alleen was. Acht maanden later kon ze terecht in de verslavingszorg. Daar werd duidelijk dat haar verslaving niet los kon worden gezien van trauma, somberheid en hardnekkige relationele patronen. Ze had niet nog één losse interventie nodig, maar samenhangende zorg, klinische stabilisatie en iemand die het geheel kon overzien.
Juist toen liep ze opnieuw vast. De instelling kon de benodigde klinische behandeling niet zelf bieden en verdere behandeling bleek door contractafspraken met de zorgverzekeraar niet mogelijk. Janna moest opnieuw worden verwezen, opnieuw wachten en opnieuw haar verhaal vertellen.
Stop met mensen passend maken voor het systeem
Mensen zoals Janna hebben geen behoefte aan nóg een wachtlijst, nóg een verwijzing of nóg een protocol. Zij hebben professionals nodig die de samenhang zien, regie kunnen voeren en de ruimte krijgen om passende zorg te organiseren. Als we dat niet doen, blijven mensen vastlopen en blijven de maatschappelijke kosten stijgen. Een mens past nu eenmaal niet in een hokje. Ons zorgsysteem zou dat ook niet moeten doen.
Dat is misschien wel het pijnlijkste: nergens kreeg Janna slechte zorg. Ze kreeg behandelingen waarvan de werkzaamheid wetenschappelijk is aangetoond. Maar telkens hield de zorg op waar een andere organisatie, financiering of contractafspraak begon. Het systeem vroeg van Janna dat zij zich aanpaste aan de zorg. Terwijl andersom vanzelfsprekend zou moeten zijn.
Uitgestelde zorg is dure zorg
Als Janna tijdig de juiste hulp had gekregen, was het goed denkbaar geweest dat zij haar studie had afgerond, werk had gevonden en haar leven weer had kunnen opbouwen. In plaats daarvan stapelden de problemen zich op: studievertraging, verlies van werk, schulden, crisiszorg, ziekenhuiszorg en opnieuw een beroep op verschillende ggz-instellingen.
Psychische klachten die niet tijdig en passend worden behandeld, verdwijnen niet. Ze verspreiden zich als een olievlek naar werk, studie, relaties, naasten en uiteindelijk de samenleving als geheel.
Daarom is goede psychologische zorg geen kostenpost die je straffeloos kunt uitstellen. De rekening verdwijnt niet; zij verschuift naar de huisarts, de spoedeisende hulp, de crisisdienst, de Wmo, schuldhulpverlening en arbeidsongeschiktheidsregelingen. Wat vandaag niet wordt geïnvesteerd in passende zorg, betalen we later dubbel terug.
Taakdifferentiatie mag geen taakvervanging worden
De minister wil universitair opgeleide masterpsychologen meer ruimte geven om bij minder complexe problematiek als regiebehandelaar op te treden. Natuurlijk leveren masterpsychologen en andere professionals dagelijks waardevolle zorg. Maar taakdifferentiatie is iets anders dan het doorschuiven van verantwoordelijkheid. Janna laat zien waarom de term ‘minder complexe problematiek’ verraderlijk is. Complexiteit kondigt zich zelden keurig aan bij de voordeur. Dit wordt zichtbaar in het verloop, in terugval, in comorbiditeit, in risico’s en in het samenspel tussen klachten en levensgeschiedenis. Wat er bij de behandeling van Janna ontbrak was het regiebehandelaarschap van een gz-psycholoog die de samenhang ziet, prioriteiten stelt en de regie voert voor het geheel.
Gz-psychologen zijn bij uitstek de professionals met de juiste postmaster-universitaire opleiding en vervullen de rol van regiebehandelaar. Regiebehandelaarschap vraagt om veel meer dan alleen het uitvoeren van een behandeling. Het betekent brede diagnostiek, klinisch redeneren, het wegen van risico’s en het kunnen bewaren van samenhang wanneer situaties complex worden. Een klachtgerichte behandeling is niet hetzelfde als een integrale beoordeling van complexe problematiek. Wanneer problemen zich opstapelen, is een breed opgeleide BIG-geregistreerde gezondheidszorgpsycholoog nodig die de samenhang ziet.
Wie toegankelijkheid wil, moet opleiden
Het kabinet stelt slechts 691 opleidingsplaatsen voor gezondheidszorgpsychologen beschikbaar, terwijl het Capaciteitsorgaan 1240 plaatsen noodzakelijk acht. Dat verschil is geen technisch detail. Het is een politieke keuze met directe gevolgen voor de toegankelijkheid en kwaliteit van psychologische zorg.
Het is moeilijk uit te leggen dat de minister de toegankelijkheid van zorg wil vergroten, maar tegelijkertijd veel minder professionals opleidt dan nodig zijn om complexe problematiek integraal te beoordelen en regie te voeren. Juist in een tijd waarin de druk op de ggz, huisartsenzorg, jeugdzorg, ouderenzorg, ziekenhuizen en gehandicaptenzorg toeneemt, is bezuinigen op opleidingscapaciteit kortzichtig.
Wie taakdifferentiatie serieus neemt, investeert dus in opleiding, supervisie en duidelijke verantwoordelijkheden. Wie dat niet doet, noemt het taakdifferentiatie, maar organiseert in feite taakvervanging. En daarmee verschuift het risico naar patiënten én professionals.
Hoewel de discussie vaak over de ggz gaat, raakt het tekort veel meer dan dat. Gezondheidszorgpsychologen werken niet alleen in de specialistische ggz en verslavingszorg, maar ook in de ouderenzorg, de kinder- en jeugdsector, de forensische zorg, de revalidatiezorg, ziekenhuizen en de gehandicaptenzorg. Tekorten in de opleiding van vandaag zullen daarom in de volle breedte van de gezondheidszorg voelbaar zijn.
Janna, heeft geen behoefte aan nóg een wachtlijst, nóg een verwijzing of nóg een protocol. Zij heeft professionals nodig die de samenhang van haar problemen zien, regie kunnen voeren en de ruimte krijgen om passende zorg te organiseren. Als we dat niet doen, blijven mensen als Janna vastlopen en blijven de maatschappelijke kosten stijgen. Een mens past nu eenmaal niet in een hokje. Ons zorgsysteem zou dat ook niet moeten doen.
Dit opiniestuk is geschreven door de NIP Kamer gz-psychologen.