Het geheugen van de psychologie
Het Erfgoedcentrum voor de Nederlandse Gedragswetenschappen ADNG bewaart belangrijke archieven en testmaterialen, samen vormen ze het geheugen van de psychologie. Maar wat moet je allemaal bewaren? De Psycholoog ging kijken. Waarom zouden we willen weten dat ene H. Wijngaarden in 1937 50 gulden uit de kas kreeg?
Voor ons ligt een kasboek van het ‘Psychotechnisch laboratorium van prof. Waterink’. Vergeelde pagina’s vol kleine getalletjes en namen in een regelmatig handschrift. Het kasboek stamt uit 1936. Het laboratorium werd in 1927 opgericht door Prof. Dr. Jan Waterink, hoogleraar Pedagogiek, Pedologie en Psychotechniek aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Aanvankelijk alleen bedoeld voor studenten, maar het groeide uit tot een laboratorium waar bedrijfspsychologisch en beroepskeuzeonderzoek werd uitgevoerd.

In het kasboek dat voor ons ligt, werden de inkomsten en uitgaven van de testen voor Philips bijgehouden. ‘Psychologie kost geld. Maar levert ook geld op,’ zegt John Exalto. Exalto, docent en onderzoeker historische pedagogiek en ook conservator van het ADNG in Groningen. Met het kasboek en een paar dossiers wil hij laten zien wat het ADNG zoal als archiefmateriaal heeft verzameld. Het bezit archieven van A.D. de Groot en Piet Vroon. Ook bezit het de archieven van instituten als het Psychologisch Verkeerslaboratorium en het NIP. Ze zijn ondergebracht bij de Groninger Archieven, waar ze voor het publiek te raadplegen zijn. Online zijn er daarnaast meer dan honderd interviews te zien van emeritus-hoogleraren Psychologie, Pedagogiek en Onderwijskunde.
Testkoffers
Het ADNG zelf richt zich met name op de testgeschiedenis. Zo bezit het een grote verzameling testkoffers. Die zijn niet openbaar toegankelijk, ze staan goed geconditioneerd opgeslagen in het depot van het universiteitsmuseum van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG). Maar er liggen er een paar op een kantoor in het Nieuwenhuisgebouw van de RUG, waar het ADNG zich bevindt. Die testen moeten nog naar het depot verhuizen en die kunnen we even zien.
Het is een bonte verzameling, variërend van houten kistjes met of zonder handvat met daarin tests. Er zitten op kaartjes grafische afbeeldingen en houten blokjes waarmee de afbeeldingen moeten worden nagemaakt. Ook zijn er andere puzzeltjes.
Van een heel andere orde zijn de grote kartonnen dozen met objecten als poppen, bollen wol en lege flesjes. Ook daarmee werden tests uitgevoerd, de instructie bevindt zich ergens tussen de spullen. Er staan verder aktetassen en allerlei koffers vol boeken en mappen: papieren (sub)tests met uitgebreide handleidingen, waarmee psychologen en pedagogen naar scholen of op huisbezoek konden. Deze rond de 300 koffertesten, aangevuld met ongeveer 2000 paper- en penciltesten bestrijken een eeuw.
50 gulden
De vraag die onwillekeurig opkomt is: waarom bewaar je dit allemaal? Wat moet je met die koffers? En het kasboek: waarom zouden we willen weten dat ene H. Wijngaarden in 1937 vijftig gulden uit de kas kreeg, onder de post ‘salarissen en lonen’? En dat het pedagogisch instituut per giro 250 gulden kreeg overgemaakt, onder de post ‘diversen’?
Op die vraag begint Exalto over het ontstaan van het ADNG te vertellen. Twee vooraanstaande psychologen begonnen de verzameling in 1989: Willem Hofstee (1936-2021) en Pieter van Strien (1928-2022), beiden hoogleraar Psychologie aan de RUG. Ze waren ook verbonden aan het NIP, Hofstee enige tijd als voorzitter. Ze merkten dat als een collega verhuisde of met pensioen ging, het materiaal waarmee gewerkt was, werd weggegooid. En daarmee ‘wiste de psychologie eigenlijk zijn eigen geheugen uit’. Die moet je behouden, want daarmee kun je de geschiedenis terughalen en begrijpen, vond het duo. Exalto: ‘Zo werd Henk Wijngaarden hoogleraar Psychologie, maar hier zien we dat hij als assistent in het laboratorium is begonnen. Hij heeft de nodige praktijkervaring opgedaan voordat hij de theorie ging doceren.’
Annette Mülberger, hoogleraar Theorie en geschiedenis van de psychologie aan de RUG, heeft een ander concreet voorbeeld uit de archieven meegebracht. Ze wijst naar een onopvallend, dubbelgevouwen blauw mapje waar in stift in grote letters Binet-methode op geschreven staat. Je zou het zo bij de oude kranten gooien, maar dit is een pareltje uit de collectie, begint ze. Want hiermee komen we meer te weten over de geschiedenis van een van de belangrijkste intelligentietests in Nederland. Ze legt uit wat dit mapje toevoegt aan wat we al weten.

Historici zijn het erover eens dat de eerste echte intelligentietest in 1905 ontstond: de Binet-Simon methode heette die toen nog en was ontwikkeld door psycholoog Alfred Binet en psychiater Théodore Simon. De methode bestond uit een verzameling vragen en opdrachtjes, die een begeleider in een interview bij een kind moest afnemen. Taakjes als: wijs je neus aan of: herhaal de volgende twee getallen… Zo werden onderwijzers geholpen om de – zoals dat destijds genoemd werd – ‘normale’ kinderen van de ‘abnormale’ kinderen te onderscheiden. De normalen bleven in de klas, de abnormalen gingen naar ‘speciale klassen’ waar de lesstof langzamer werd onderwezen.
Wat is een soldaat?
Mülberger vouwt het mapje open en haalt er een klein papieren boekje uit. Dit is niet de allereerste test, maar een versie later, uit 1908. Hierin waren de taakjes inmiddels geordend op leeftijd. Een kind van drie zou de simpele taakjes moeten kunnen, een ouder kind moest ingewikkeldere taakjes aankunnen, zoals: ‘Geef een definitie van vrijheid’.
De test die voor ons ligt is niet de Franse versie uit 1908, maar de vertaling in het Nederlands door de schoolarts Dirk Herderschêe. De test is bovendien ingevuld: hij is afgenomen bij de achtjarige Marleen de Boom* (naam is geanonimiseerd) uit Amsterdam. Zo kunnen we rechtstreeks in het verleden kijken. De eerste opdrachtjes gaan probleemloos, later in de test maakt ze af en toe een foutje. Zo kan ze niet omschrijven wat een soldaat is. En halverwege de taakjes die ze op haar achtste zou moeten kunnen, begint ze veel fouten te maken. Op de vraag naar de namen van de maanden, somt ze de dagen van de week op. Niet lang daarna stopt de test: er wordt niets meer ingevuld. ‘Kijk,’ zegt Mülberger enthousiast, ‘Ze is acht en komt tot acht jaar en een paar maanden.’

Maar nu wordt het echt interessant, vindt Mülberger. Want de test is niet vertaald door een pedagoog of psycholoog, maar door een schoolarts. Hij beschouwde het als een van de middelen om een kind te diagnosticeren. Hij keek daarnaast ook of het kind goed hoort, of het vloeiend spreekt en of het een grapje begrijpt. Hij kijkt ook naar de emoties en de manier van denken. Mülberger: ‘Hij zag de Binet-test als onderdeel van een groter geheel.’ Je ziet het zelfs aan het formaat van het boekje. De Binet-test kun je zo in het andere boekje met de overige tests schuiven. ‘Het is symbolisch,’ zegt ze. ‘Niet de test beslist over het kind, maar was een onderdeel van alles waaruit de diagnose bestond.’
Deze manier van testen – met kleine aanpassingen – is in Nederland decennia gebruikt.
Dat is vooral opmerkelijk omdat het verhaal dat de meesten van ons kennen, anders ging. Binet was nooit helemaal gelukkig met de test en ontwikkelde hem verder. Een volgende versie ontstond in 1911, daarna overleed hij. Psycholoog Lewis Terman van de Stanford University vertaalde de test en ontwikkelde een verbeterde versie in 1916. Deze Stanford Binet test is in Engelstalige landen gebruikt als standaard IQ-test – naast ook andere testen.
Voor ons ligt het document waarmee we kunnen reconstrueren waarom de geschiedenis van het mentale testen in Nederland zo verschilt van die in andere landen. Hier functioneerde de test uit 1908 zo’n 50 jaar lang prima, omdat het een onderdeel was van een groter geheel. Het helpt ons te breken met het standaardverhaal dat velen van ons op de universiteit hebben geleerd uit de vaak Amerikaans georiënteerde psychologieboeken, waarin een test als losstaande toets op grote schaal werd toegepast.
Dat is de waarde van een archief. Het verklaart ook dat je vooraf niet weet wat je moet bewaren en wat niet: je weet niet welke vragen je straks hebt. Het verklaart waarom het erg is als je het geheugen van de psychologie weggooit.

Kubus van Heymans
Rinske Vermeij is een PhD-student en doet onderzoek naar de kubus van Heymans. Gerard Heymans (1857–1930) was een Nederlands filosoof en psycholoog, wordt gezien als de grondlegger van de Nederlandse psychologie. Van oorsprong was hij professor in de filosofie, waarvan zielkunde een onderdeel was. Hij wilde de psychologische wetten vinden die ons mensen beschrijft. Aanvankelijk concentreerde hij zich op onze overeenkomsten. Later ging hij zich meer focussen op de interpersoonlijke verschillen. Hij ontwikkelde een theorie van persoonlijkheidsverschillen. Door biografieën te lezen en enquêtes af te nemen, inventariseerde hij persoonlijkheidseigenschappen. Daarop deed hij correlatieberekeningen, omdat dit nog met de hand moest, kostte die berekeningen hem meerdere jaren. Hij vond dat veel van de persoonlijkheidseigenschappen terug te leiden zijn tot drie dimensies: emotionaliteit (hoe sterk reageren mensen emotioneel, afhankelijk van de impact van een gebeurtenis), activiteit (hoe makkelijk komen mensen in beweging, afhankelijk van de urgentie) en de derde dimensie ging erover of iemand primair of secundair functioneerde (in hoeverre indrukken lang nawerken). Hij ontwierp een kubus waarop die dimensies werden afgezet. Vermeij raakte geïnteresseerd in de kubus en wil erop promoveren. ‘Ik werd benieuwd naar de toepassing van Heymans’ persoonlijkheidstheorie in de samenleving. In mijn proefschrift zal ze onder andere kijken naar zijn invloed in het onderwijs en bij beroepskeuzebegeleiding.’